Noorderplantsoen


noorderplantsoen_bordIn 1877 werden de vestingwerken van de stad Groningen opgeruimd. De Groningers betreurden dit zeer, ze moesten nu immers de wandelingen over de wallen missen. Om aan dit gemis tegemoet te komen werd het Noorderplantsoen (vroeger ook wel Noorderpark genoemd) aangelegd. Het plantsoen is gelegen tussen het Reitdiep en het voormalige Boterdiep.

De oude vestingwerken hadden in het terrein al voor afwisseling gezorgd, wat een aantrekkelijk gegeven is bij de aanleg van een park. De naam van de Grachtstraat herinnert aan de voormalige vestiginggracht. Een deel van deze gracht vinden we nog terug in de vijvers nabij de Grachtstraat.

Omstreeks 1890 werd er een straatweg door het plantsoen aangelegd. Destijds kon men uiteraard niet vermoeden dat deze straat (de Leliesingel, de Kruitsingel en de Boteringesingel) een zeer drukke verbindingsweg zou worden.

We kunnen onze wandeling bij de muziekkoepel beginnen. Langs het pad bij deze koepel staat een boom met een opvallende gevlekte stam: de plataan. De jonge bladeren van de plataan zijn bedekt met kleine haartjes. Kort na het uitbotten van de bladeren laten deze haartjes los en dwarrelen naar beneden. Deze haartjes kunnen bij de mens hooikoorts veroorzaken.
Achter de heuvel staan beuken. Onder een beuk groeit weinig, de bladeren van de kruin houden veel licht tegen en bovendien verteert het afgevallen beukenblad maar zeer langzaam.
Iets verder zien we klimop dat met kleine hechtworteltjes langs de bomen klimt of over de grond kruipt.
Omdat het park ruim honderd jaar oud is, kunnen we in het Noorderplantsoen bomen tegenkomen die meer dan een eeuw oud zijn.

Er is veel fluitenkruid te zien, met forse geribbelde stengels en witte bloemschermen. De bloemen bevatten veel honing, zodat we altijd wel insecten op deze plant aantreffen.
We vinden veel vogelkers, een struik die in april/mei bloeit met witte bloemen in lange, hangende trossen. De bladeren en takken hebben een onaangename geur als ze worden stuk gewreven. De struik draagt in de herfst zwarte bessen.

In de herfst zien we struiken met opvallende karmijnrode bessen met oranje pitten. De bessen hebben de vorm van een muts van een kardinaal en hiervan is de naam van de struik afgeleid: de kardinaalmuts. Zoals met veel bessen het geval is dienen ze de vogels tot voedsel. De harde pit verlaat echter onverteerd het vogellichaam, waardoor de vogel bijdraagt aan de verspreiding van de zaden.
Hier en daar groeit de hazelaar. De bloeitijd is sterk afhankelijk van de voorjaarstemperatuur; dit geldt vooral voor de mannelijke bloemen. Soms produceren de mannelijke katjes al volop stuifmeel, terwijl de vrouwelijke bloemetjes nog niet rijp zijn. Door het uitblijven van voldoende bevruchting volgt dan een slecht notenjaar.
Een opvallende naaldboom is de taxus. De taxus wordt ook wel venijnboom genoemd, omdat de naalden, zaden, schors en takken erg giftig zijn voor mens en dier.

In de vijver zien we een vogeleilandje, waar zich een grote hoeveelheid vogels ophoudt: witte eend, wilde eens, waterhoentje, kokmeeuw, stormmeeuw, Canadese gans en knobbelzwaan. Langs de waterkant groeit zevenblad. In de vijver vinden we kalmoes, kroos, waterpest en waterlelies. De waterlelie bloeit alleen ’s morgens. Tegen 12 uur sluiten de bloemen zich.

In het voorjaar herbergt het Noorderplantsoen een grote verscheidenheid aan bosplanten, zoals de holwortel, de voorjaarshelmbloem, het speenkruid, het daslook, de wilde hyacint en de gele anemoon.
De gele anemoon is een grote bijzonderheid. Deze plant groeit in enkele Zuid Limburgse bossen. In Groningen en Friesland is de gele anemoon in de vorige eeuw aangeplant op buitenplaatsen. Het is niet onwaarschijnlijk dat de gele anemoon ook in het Noorderplantsoen is uitgeplant. De plant heeft een ‘boterbloemachtig’ bloemetje. De bloeitijd valt in begin april en valt samen met die van het speenkruid. Beide planten hebben gele bloemen en groeien naast elkaar, waarbij het speenkruid overheerst, de gele anemoon is daardoor erg moeilijk te ontdekken. Sommige plantjes dragen twee bloemen aan één stengeltje; bij bosanemonen komt dit niet voor.

De meest spectaculaire plant van het Noorderplantsoen is zonder twijfel de bosgeelster. In het vroege voorjaar zijn hele gazons er mee bedekt. Dit kleine gele lelietje dat eind maart – begin april bloeit, komt maar op enkele plaatsen in Nederland voor. Waarschijnlijk heeft de bosgeelster zich spontaan in het plantsoen gevestigd. Vermoedelijk is dit de meest uitgebreide groeiplaats van Nederland.

Bron: Groen Groningen, IVN


Noorderplantsoen weergeven op een grotere kaart

Routes

Foto’s


Overige documentatie

Noorderplantsoen – Excursie stinzenplanten (pdf)

excursie_stinzeplanten_noorderplantsoen_uit_groeningen_2009-2 (pdf)

broedvogelinventarisatie Noorderplantsoen 1995 (pdf)


 

www.noorderplantsoen.nl

Noorderplantsoen  op Wikipedia

www.anaburen.nl/noorderplantsoen