friese-veen-bordDe historie van deze waterplas is niet los te denken van het Paterswoldsemeer. Oorspronkelijk moet dit één veengebied zijn geweest. Waarschijnlijk is de huidige Meerweg, die deze twee plassen scheidt, vroeger benut als afvoerweg voor het afgegraven veen in de vorm van turf.

Er bestaan twee soorten veen: het hoogveen en het laagveen. Hoogveen is veen dat boven het grondwater is ontstaan. Dit is bijvoorbeeld het geval als een keileemlaag in de bodem het grondwater afschermt. Het hoogveen is dan afhankelijk van het voedselarme regenwater. Het hoogveenpakket blijkt te zijn opgebouwd uit planten die goed aangepast zijn aan een voedselarm milieu: de veenmossen. Laagveen (waar Friese Veen een voorbeeld van is) daarentegen wordt gevormd in voedselrijke plassen. Deze plassen groeien langzaam dicht met diverse waterplanten, waarbij riet een voorname rol speelt. We noemen dit proces verlanding.
Verlanding speelt zich dus, in tegenstelling tot hoogveenvorming, af in het grondwater.

Het Friese Veen werd, evenals het huidige Paterswoldsemeer, vroeger eerst met de schop uitgeveend. De turf werd te drogen gelegd op een zgn. legakker; een smalle, langgerekte strook veen, die voor dit doel gebruikt en dus gespaard bleef. In het Friese Veen treffen we nog zo’n legakker aan. Het heeft de naam Bethlehem meegekregen en er staan nu enkele rijen hoge populieren op. Later is hier ook nog machinaal veen gebaggerd.
Door al dat graven kwam natuurlijk het grondwater weer te voorschijn. Nu is het prachtig te zien hoe het verlandingsproces zich opnieuw in gang heeft gezet. In het water groeien enorme hoeveelheden gele plomp en waterlelie, het wateroppervlak ‘s zomers bijna geheel bedekkend met hun resp. ovale en ronde bladeren. Daartussen vinden we hun prachtige bloemen, die schijnbaar zomaar op het water drijven. Aan de oevers rukt het riet op, dat op zijn beurt samen met planten als gele lis, kalmoes en lisdodde zijn steentje bijdraagt aan het verlandingsproces. Aan de kant van de Meerweg is deze verlanding zover gevorderd, dat al bomen kunnen groeien. Dit stuk is dan ook waarschijnlijk nooit afgegraven. De belangrijkste boomsoort in dit gedeelte is de els, een boom die in het geheel geen hekel heeft aan natte voeten. Maar ook bomen die liever wat droger staan vinden we daar al.

Ook de Groninger bevolking heeft op zijn manier een bijdrage geleverd aan het verlandingsproces in het Friescheveen. Rond 1920 is namelijk de zuidoostelijke oever gedurende een tiental jaren gebruikt als vuilnisstortplaats. Daardoor breidde het “land” zich circa 20 meter “plasinwaarts” uit. Een en ander is door de jaren heen verzakt en er is nadien een mooie vegetatie ontstaan van wilgen, elzen,berken, hop, braam, kamperfoelie, wegedoorn en lijsterbes.
Na de vervening is rond het Friese Veen een dijk aangelegd, zodat het land ten zuiden van de Meerweg bemaald kon worden. Restanten van een oude waterwindmolen zijn nog te vinden bij het dijkje, dat nu als wandelpad dienst doet en zich prachtig om de waterpartij heen kronkelt, ter hoogte van een rij knotpopulieren. Dit wandelpad begint bij Café Friescheveen, waar u tevens roeibootjes kunt huren, zodat u het Friese Veen nog beter kunt bekijken.

Het Friese Veen herbergt een rijke dierenbevolking. Libelles en andere insecten vliegen boven het water om plotseling door een zwaluw gevangen te worden. Het riet zit vol met geluiden van karakieten en rietzangers. Een van de mooiste vogels van dit gebied is wel de fuut. Deze vogel is moeilijk dichtbij te benaderen, omdat hij dan bliksemsnel en geruisloos onder water duikt om op vaak tientallen meters afstand weer boven water te komen. Hierin verschilt de fuut van de meerkoet, die met een hoorbare plons het water induikt om naar plantaardig voedsel of nestmateriaal te zoeken. De meerkoet zwemt ook bijna niet onder water en komt vrijwel op dezelfde plaats weer boven.

Richten we ons tenslotte tot een heel ander dier dat in het Friese Veen een voor hem noodzakelijke combinatie van beschutting en weide vindt. Er komen in dit gebied meer dan tien reeën voor. Toch zult u ze niet gemakkelijk te zien krijgen omdat ze erg schuw zijn en bovendien over een uitstekend ontwikkeld gehoor- en reukorgaan beschikken. Sporen van deze dieren zijn echter makkelijker te vinden in de vorm van hoefafdrukken in de modder en ook van de zgn. reeënwissels. Dit zijn paadjes, die gebaand zijn door veelvuldig passeren. Een duidelijk voorbeeld daarvan vinden we bijv. ter hoogte van de restanten van de oude windmolen, waar een wissel in het struweel verdwijnt. Bang voor een nat pak zijn de reeën niet en het zijn dan ook goede zwemmers. Open water zullen ze echter niet zo snel inspringen, maar de vaart van en naar de grote waterplas nemen ze met gemak.

Hoe het Friese Veen aan zijn naam komt?
Het zullen de Friezen geweest zijn, die dit veen hebben afgegraven.

Bron: Groen Groningen, IVN