noordlaarderbos-bord1_kleinHet Noordlaarderbos is één van de weinige Groninger bossen van enige omvang (110 hectare), zodat we er een behoorlijke wandeling kunnen maken. De grond bestaat uit arme zandgrond en dat zal wel de reden zijn dat onze voorouders dit gebied niet bebouwden, maar er bomen plantten.
Het is een afwisselend bos met brede en smalle kronkelpaden en houtwallen. We vinden er een groot aantal naaldbomen, zoals de fijnspar, Douglasspar, lariks en vele soorten dennen. Deze naaldbomen groeiden oorspronkelijk niet in Nederland. De meeste zijn geïmporteerd uit Noord-Amerika. Het verschil tussen een den en een spar kunnen we eenvoudig vaststellen door een naald uit een tak te trekken. Lukt het steeds één naald uit te trekken, dan hebben we met een spar te doen. Gaat er automatisch een tweede naald mee, dan is het hoogstwaarschijnlijk een den. Hierbij kan het ezelsbruggetje solo=spar en duo=den behulpzaam zijn.

Van de loofbomen vallen vooral de beuk, berk, eik en hulst op. Op de eikenbladeren zien we kleine en soms ook vrij grote bolletjes. Dat zijn galappeltjes. Galappeltjes ontstaan door de steek van een galwesp. Deze wespjes zijn zo klein dat we ze meestal niet opmerken. De galwesp legt zijn eitjes aan de onderkant van het blad. Rondom de eitjes zwelt het blad op tot een bolletje, eerst geel, later bruin of rood. In het binnenste van de galappel is een kamertje waarin zich de larve bevindt.
Als de larve volgroeid is, verpopt het. Uit de pop verschijnt weer een wespje. Er komen op eikenbomen verschillende soorten gallen voor, niet alleen op bladeren, maar ook op takjes en eikels.

De arme bosgrond biedt weinig mogelijkheden voor een rijke vegetatie. De rankende helmbloem, kamperfoelie en eik- en mannetjesvaren voelen zich hier thuis. Van deze soorten is de rankende helmbloem het meest typerend voor Drentse bossen op arme zandgrond. We zullen deze plant in andere delen van Nederland heel wat minder vaak tegenkomen.

Er is een heideterreintje met struikhei, dophei, tormentil en pijpenstrootje. Verder vinden we er havikskruiden, grasklokje, vingerhoedskruid, dagkoekoeksbloem en de vossenbes. De vossenbes is een struikje dat familie is van de blauwe bosbes, maar het heeft rode bessen en laat bovendien zijn bladeren niet vallen in de winter.
Op een enkel plekje groeit nog een vermaarde en zeldzame plant: de zevenster. De kleine witbloeiende zevenster is in de bossen van Scandinavië en Noord-Rusland een veel voorkomende plant. In Nederland komt het maar op een paar plaatsen voor. Sommige plantenkenners denken dat de zevenster hier ‘per ongeluk’ is blijven groeien toen de ijstijden voorbij waren.

Het Noordlaarderbos is een waar paddenstoelenparadijs. Er komen minstens 50 soorten voor. De paddenstoelen groeien niet alleen op bosgrond, maar ook tegen bomen en op afgezaagde stammen. Wie er op let kan hier waarnemen dat paddenstoelen beslist niet alleen in de herfst voorkomen.

In een bos als dit leven erg veel vogels. Zij zoeken op verschillende plaatsen naar voedsel; de merel op de grond, de winterkoning en de roodborst dicht bij de grond, de specht tegen de stam en de pimpelmees hoog in de boom.

Bron: Groen Groningen